Rechtsbescherming in het onderwijs

Gepubliceerd op 7 februari 2025 om 09:48

De rechtsbescherming van neurodivergente kinderen die geen onderwijs op maat kunnen krijgen, is helaas niet altijd op orde. Dit blijkt onder meer uit het promotieonderzoek van B.M. Paijmans naar de zorgplicht op scholen. Zij citeerde onder meer vijf uitspraken waarin een vordering tot schadevergoeding werd gehonoreerd door de rechtbank. In die uitspraken gebeurde dat:

  • Een basisschool was tekortgeschoten in de zorg voor de kwaliteit van het onderwijs door een forse leeronderwijsachterstand te laten ontstaan en tot halverwege de hoogste klas geen maatregelen te nemen om die op te heffen. De school werd veroordeeld tot onder meer vergoeding van bijlessen;[1]
  • Een hogeschool is aansprakelijk jegens een studente vanwege onzorgvuldige begeleiding bij de stage, waardoor de studente studievertraging opliep. De rechter overweegt dat een school een student dient te begeleiden bij een te volgen stage waarbij geldt dat, wanneer een stage moeizaam verloopt, deze begeleiding intensiever zal moeten zijn en de student handvatten aangereikt moet krijgen om een negatieve beoordeling af te wenden. De hogeschool kan niet bewijzen adequate begeleiding te hebben gegeven en/of waarschuwingen dat de studente op een onvoldoende afstevende. De studente in kwestie heeft de opleiding elders afgemaakt;[2]
  • Een leerling uit 4 havo werd – wat later bleek – ten onrechte verwijderd van school en in die periode van gedwongen afwezigheid van zijn school kreeg hij onvoldoende (thuis)begeleiding, wat (deels) tot gevolg had dat zijn resultaten achterblijven en hij niet over ging naar 5 havo. De rechtbank toetste evenwel concreet of de school zich, met de ten aanzien van de leerling genomen maatregelen, voldoende heeft ingespannen. De rechtbank beoordeelt zowel het lesprogramma op afstand als het handelingsplan als onvoldoende; de school heeft haar zorgplicht geschonden;[3]
  • Een school hoeft geen niveau te garanderen, maar dient bij een leerling met een achterstand wel maatregelen te treffen die ertoe kunnen leiden dat de achterstand wordt ingelopen. De school heeft hiertoe een adequaat plan gemaakt, maar omdat de docent heeft nagelaten dit plan uit te voeren, heeft de school niet aan haar zorgplicht voldaan;[4]
  • Een hogeschool moet volgens de rechter voldoende toezien op het verloop van een stage, zodat zij kan reageren op signalen dat er problemen zijn en zo nodig kan bijsturen of ingrijpen. Voor studenten bij wie de stage moeizaam verloopt, zal de begeleiding intensiever moeten zijn. De rechtbank oordeelt dat de hogeschool er bij aanvang van de tweede stage onvoldoende op heeft toegezien dat de student de stage goed voorbereid zou beginnen en dat de hogeschool vervolgens te laat heeft ingegrepen.[5]

[1] Rb. Amsterdam 26 mei 1999, AB 2000, 104 (Gemeente Amsterdam/Schaapman).

[2] Rb. Leeuwarden 24 januari 2007, JA 2007, 68 (Kuiphof/CHN).

[3] Rb. Haarlem 25 november 2009, JA 2010, (X/Stichting Katholiek Onderwijs Volendam).

[4] Ktr. Rb. Breda 11 april 2012, LJN BW3199 (X/Stichting Opmaat).

[5] Rb. ’s-Hertogenbosch 27 juni 2012, LJN BW9260 (X/Stichting Fontys).

Het toewijzen van schadevergoeding gebeurt in de meeste gevallen niet. Uit deze jurisprudentie blijkt dat het in de praktijk moeilijk is om vast te stellen dat een school de zorgplicht heeft geschonden, maar kan wel een aantal overwegingen worden opgemaakt, die de zorgplicht op dat punt inzichtelijker maken. Wel is het zo dat de overwegingen uit concrete situaties komen, zodat deze niet in alle situaties onverkort kunnen worden toegepast. Het betreft de volgende – losse – overwegingen:

  • Scholen hoeven geen bepaald eindniveau te garanderen, maar moeten de in het schoolprogramma opgenomen lesstof in ieder geval wel aan de leerlingen aanbieden;
  • Scholen moeten op tijd en adequate maatregelen nemen om lesuitval zo veel mogelijk tegen te gaan en als de school signalen bereiken dat er iets mis is met diens schoolprestaties;
  • Het aannemen van reservedocenten om zieke docenten te vervangen is niet verplicht;
  • Alleen het halen van slechte cijfers voor één of meer vakken door de leerling, is geen bewijs voor de stelling dat de school ondeugdelijk onderwijs heeft geboden;
  • Het niet opstellen van een hoogbegaafdenbeleid, betekent niet dat scholen niet aan de zorgplicht voldoen. Getoetst moet worden of de school heeft voldaan aan de kwaliteitseisen uit de sectorwetten;
  • Van scholen voor regulier en klassikaal onderwijs kan niet worden geëist dat reguliere lesstof uit het programma verdwijnt en dat daarvoor in de plaats voor een specifieke leerling moeilijker en uitdagender werk wordt ingeroosterd. Wel kunnen en moeten individueel afspraken worden gemaakt voor verdieping of versnelling;
  • Scholen moeten leerlingen stagebegeleiding bieden en bij een moeizame stage de begeleiding intensiveren en leerlingen moeten handvatten worden aangereikt om een onvoldoende te voorkomen;
  • Indien een school de maatregel van verwijdering aan een leerling oplegt, zal de school – totdat de leerling op een andere school is geplaatst – zich moeten inzetten voor een lesprogramma op afstand, afgestemd op de omstandigheden van de specifieke leerling.[1]

[1] Paijmans 2013, p. 411-412.

Dit zijn, globaal gezien, de grootste problemen in de rechtsbescherming:

  • Als er een oordeel wordt gevraagd of een bepaalde school voor toegankelijkheid kan zorgen, kijkt de rechter niet voornamelijk naar welke rechten het kind heeft, maar vooral naar de mogelijkheden van de school. Dit betekent dat het kind slecht beschermd wordt tegen de oorzaken van uitsluiting. Pas als bijvoorbeeld gemaakte plannen niet worden uitgevoerd, of vormfouten worden bewezen, wordt de school in het ongelijk gesteld door bijvoorbeeld een veroordeling tot de betaling van een schadevergoeding of het vergoeden van bijlessen.
  • De oorzaken die ik in de vorige blogs al noemde: gebrek aan controle op partijen waarvan geacht wordt de deskundigheid te hebben, het gebruik van termen die moeilijk te controleren is en de maatschappijbrede stigmatiserende blik.
  • Gebrek aan de bekendheid van internationale verdragen in de rechtszaal. Als Nederlandse wetten in strijd zijn met internationale verdragen, gaan die verdragen voor. Rechters kunnen dit in individuele gevallen corrigeren, maar dat gebeurt hoogstens alleen als dit wordt aangevoerd door een procespartij.
  • Hoe zou het beter kunnen?
    De relevante feiten, net name aan de zijde van het kind, moeten veel beter worden onderzocht, en de informatie die instellingen leveren, moet veel kritischer worden bevraagd. Zo oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een reflectierapport naar aanleiding van de toeslagenaffaire onder meer dat die te makkelijk mee is gegaan in het verhaal van de overheid, waardoor veel mensen onrecht aangedaan kon worden. Rechtspreken volgens de nieuwe zaaksbehandeling kan een uitkomst bieden. Maar het belangrijkste is dat het feitenonderzoek flink wordt verbeterd en besluiten toetsbaarder worden.
  • Rechtszaken waarbij de rechter oordeelt dat een school niet in staat is om aan haar plichten te voldoen zouden nadrukkelijker moeten worden gepresenteerd als een wake-upcall voor beleidsmakers om scholen beter toe te rusten, wat volgens het VN-Verdrag Handicap ook moet.
  • Veel meer moet informatie over internationale verdragen aangeleverd worden in de rechtszaal, en de bekendheid hierover onder handhavers moet flink worden vergroot, evenals de expertise om de naleving goed te kunnen toetsen. Zo is de gesloten jeugdzorg door de VN aangemerkt als foltering. Maar dit weet ik toevallig omdat ik iemand volg die veel met de jeugdzorg bezig is en een bericht deelde op sociale media over iemand die voor deze kwalificatie heeft gestreden.
  • Autoriteiten moeten beter worden getraind in het herkennen van stigmatisering, en in het bestrijden ervan.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.